In het uiterste zuiden van Nederland werkt Staatsbosbeheer aan natuurherstel op de hellingen van het Geuldal. Op voormalige landbouwgronden graven zij de voedselrijke bovenlaag af. Zo kunnen zij voedselarme graslanden ontwikkelen, met een grotere variatie van planten en dieren. Projectleider Anton Heesterbeek vertelt hoe dit bijzondere landschap weer in balans wordt gebracht.

"Het heuvellandschap van Zuid-Limburg is uniek", vertelt Anton Heesterbeek. "Je hebt er een afwisseling van bossen, hellingen en kleine dalen. Ook is de grond steeds anders samengesteld: het ene stuk is wat zuurder en het andere heeft meer kalk in de bodem. Die variatie zorgde vroeger voor een enorme rijkdom aan planten en dieren. Maar in de loop van de tijd veranderde het landgebruik van kleinschalige naar grootschalige landbouw. Door de komst van kunstmest werd de landbouw ‘meer industrieel’. Ook het aanpassen van beken, het graven van afwateringssloten en aanleg van waterafvoer door ondergrondse buizen had gevolgen voor het landschap. Veel nattere gebieden verdwenen.

Oorspronkelijke landschap terugbrengen

Door deze ontwikkelingen is veel van de voedselarme bodem verdwenen en daarmee ook een aantal specifieke soorten planten en dieren. Anton: “Wat we nu proberen, is het oorspronkelijke landschap deels terug te brengen. Als dat lukt hebben we niet alleen een stukje natuur hersteld, maar ook een landschap dat duurzaam is voor planten, dieren én voor de mensen die hier wonen. Zo hebben ook zij meer plezier van de natuur zoals die ooit hier bestond. Bovendien wordt water langer vastgehouden, waardoor het lager op de heuvels minder overlast geeft bij hevige buien."  

Waarom plaggen helpt

Om de natuur weer sterker en veerkrachtiger te maken, is het nodig om letterlijk een laag naar het verleden af te dalen. "In de bodem blijven voedingsstoffen als stikstof en fosfaat nog tientallen tot honderden jaren aanwezig", legt Anton uit. "Dat zorgt voor een dichte eenvormige grasmat waarin zeldzame kruiden geen kans krijgen. Daarom halen we de bovenste tien tot vijfentwintig centimeter van de bodem weg. Plaggen, noemen we dat.”

Zo komt een oude, stenige bodem tevoorschijn die arm is aan voedingsstoffen. Dat maakt hem ideaal voor bepaalde soorten planten. Zoals de witbloeiende walstro, bekend om zijn typische geur. En schapegras: fijne, naaldachtige sprieten in een opvallende blauwgroene tot staalblauwe kleur. Van het meer open landschap en de bloeiende plantensoorten profiteren weer verschillende soorten insecten, zoals wilde bijen en vlinders. In het Geuldal is er nog maar een paar hectare van dit zeldzame leefgebied over. Anton: "Door het gebied te vergroten, kunnen planten en insecten zich beter verspreiden en vergroten we de natuurlijke variatie."

Nuttig hergebruik afgegraven grond

De afgegraven grond krijgt een nuttige bestemming. "We gebruiken het voor andere werkzaamheden, bijvoorbeeld om sloten te dempen of graften (een soort wallen) aan te leggen om het water in de juiste richting te sturen of tegen te houden“, vertelt Anton. “De rest wordt afgevoerd naar plekken waar grond nodig is, zoals voor het opvullen van gaten bij grindwinningslocaties langs de Maas."

Herstel van de waterbalans

Naast de droge graslanden wordt ook iets aan het watersysteem gedaan. "In de loop van de tijd zijn er sloten gegraven en buizen onder de grond aangelegd om water af te voeren", weet Anton. "Maar die vroegere natte plekken waren waardevol voor bepaalde planten, zoals de felgele dotterbloem en het moerasviooltje, en aantrekkelijk voor amfibieën. Door de sloten deels te dempen wordt het water weer in het gebied vastgehouden.”

De combinatie van voedselarme graslanden en natte gebieden zorgt ervoor dat verschillende soorten naast elkaar kunnen bestaan. "Vlinders, bijen en reptielen gebruiken de droge hellingen, terwijl de ringslang en salamanders juist profiteren van de natte laagten. Dat samenspel maakt de natuur sterker en veerkrachtiger."

Zorgen uit de omgeving

Het project wordt uitgevoerd door Staatsbosbeheer, met financiering van het ministerie van LVVN. Waterschap Limburg dacht mee over hoe je het beste het water kunt vasthouden in het gebied. Ook de gemeente was betrokken voor de omgevingsvergunning. Anton: “Je kunt dit alleen doen met medewerking van overheden en de omgeving."

Die omgeving keek aanvankelijk met zorg naar de plannen. "In 2021 was er zware wateroverlast in Valkenburg. Mensen waren bezorgd dat de afgravingen op de hellingen nóg meer water richting het dal zouden sturen. Dat begrijp ik goed. Daarom hebben we extra maatregelen genomen om water op de helling te remmen, bijvoorbeeld door ‘graften’ aan te leggen. Dat zijn kleine walletjes met beplanting die het wegspoelen van grond tegengaan. Na hevige regenval dit voorjaar zagen we dat die maatregelen goed werken. Dat nam de zorgen weg."

Zware machines

Werken in het heuvelland vraagt wat van mens en machine. "De hellingen zijn steil en de weggetjes smal", vertelt Anton. "Bij nat weer is het echt een uitdaging om met zware machines te werken, omdat je niet wilt dat ze vast komen te zitten of wegglijden. Een andere uitdaging was dat een deel van het terrein een stiltegebied is, waar je eigenlijk geen extra geluid mag maken. Daarover moesten we dus met de provincie in gesprek.”

Project wordt dertig jaar gevolgd

Het herstelproject is begin 2026 afgerond, maar het zal langer duren tot het resultaat volledig zichtbaar is. Natuurherstel vraagt geduld. Het duurt jaren voordat bodemleven, schimmels en insecten hun plek weer hebben gevonden. “We volgen dit project dertig jaar lang", vertelt Anton. "We willen weten hoe de begroeiing zich ontwikkelt, wanneer de eerste bijzondere soorten terugkeren, zoals het grasklokje, de margriet, het zandblauwtje en knoopkruid. En hoe vogels en insecten als de grauwe klauwier of de kleine vuurvlinder daarop reageren. Maar als er straks weer soortenrijke graslanden tot leven komen op de hellingen, weten we dat het de moeite waard is geweest, voor zowel de natuur als voor de mensen die ervan kunnen genieten.”