In het ontwerp-Natuurplan is uitgegaan van de minimale begrenzing (verplichting vanuit de EU gebaseerd op een raster met cellen van 1 x 1 km). Deze minimale begrenzing omvat de rastercellen met gemiddelde (dwz > 300 inwoners per km2) en hoge (dwz > 1.500 inwoners per km2) bevolkingsdichtheid. In de periode tussen ontwerp en definitief Natuurplan wordt een ontwerpend onderzoek uitgevoerd waarin wordt nagegaan welke begrenzing de beste balans geeft tussen ruimtelijke opgaven (o.a. woningbouw) en het behalen van doelen van artikel 8 van de NHV. Er worden uitgangspunten en randvoorwaarden geformuleerd en op basis daarvan wordt een generieke begrenzing afgeleid. Gemeenten krijgen de gelegenheid om binnen deze uitgangspunten en randvoorwaarden een verzoek te doen tot aanpassing de generieke begrenzing voor hun gemeente. Gemeenten zijn op 20 juli 2026 per brief geïnformeerd over het te volgen proces en de planning daarvan.
De nulsituatie in 2024 is landsdekkend vastgesteld op basis van de meest actuele Copernicusdata. Eind 2030 wordt opnieuw op basis van Copernicus-satelietdata bepaald hoeveel stedelijke groene ruimte en boomkroonbedekking zich bevindt binnen de (in het definitief Natuurplan vastgestelde) begrenzing van de stedelijke ecosystemen en vergeleken met de data van nulsituatie die zich eveneens binnen de begrenzing van de stedelijke ecosystemen bevindt.
Het rijk faciliteert de gemeenten door de monitoring centraal uit te voeren. Copernicus-satelietdata zijn hier in beginsel beschikbaar voor. De mogelijkheid bestaat om deze data aan te vullen. In de periode tot het definitief Natuurplan wordt onderzocht of het zinvol is aanvullende data te gebruiken en hoe dit zou kunnen. Aanvullende data kunnen eventueel vanaf 2031 worden gebruikt.
Hier kunnen we nu geen exact antwoord op geven, dit is afhankelijk van het wetgevingstraject dat nu doorlopen wordt.
Voor een deel kan dat door eisen te stellen aan ruimtelijke plannen die vergunningsplichtig zijn.
Ondanks dat de begrenzingen van de stedelijke ecosystemen nog niet zijn vastgesteld kunnen gemeenten er bij alle wijzigingen in de openbare ruimte op toezien dat groen dat verdwijnt direct wordt gecompenseerd, of bij voorkeur extra groen aanleggen. Bij herinrichtingen kunnen gemeenten bewust extra groen aanleggen. Er blijkt meer ruimte voor groen in de steden dan misschien in eerste instantie wordt gedacht.